Salak (Salacca zalacca) is een vrucht gehuld in een bruine schil met schubben. In gepelde toestand heeft salak een crème-achtige kleur. De vrucht heeft een licht zoetzure smaak, is knapperig en komt van nature voor in Indonesië. Het land is ook de grootste producent van salak.

Salak behoort tot de palmachtigen. De boomachtige plant waaraan de vrucht groeit, kan ongeveer zes meter hoog worden.

De boomachtige plant waaraan de vrucht groeit kan ongeveer zes meter hoog worden.

De vruchten groeien dicht bij de grond in clusters aan de basis van de plant. Aan een tros kunnen wel 15 vruchten hangen. Maar dat kunnen er ook meer zijn.

De vruchten groeien dicht bij de grond in clusters aan de basis van de plant.

Er bestaan verschillende soorten salak. De bekendste zijn misschien wel salak pondoh uit Yogyakarta, en salak Bali uit, jawel - de naam zegt het al - Bali.

Op de hellingen van de Merapi


Salak pondoh wordt verbouwd op de hellingen van de vulkaan Merapi. De belangrijkste productiecentra van deze vrucht vind je in het subdistrict Turi, in Sleman, Yogyakarta. Salak pondoh vind je tegenwoordig ook in de provincie Midden-Java, zoals in Wonosobo, Banjarnegara en Banyumas.

Deze salak pondoh komt uit Turi, Yogyakarta.

Je 'opent' een salak door deze in je hand te nemen en erin te knijpen. Dat doe je aan het uiteinde van de vrucht. De schil opent zich en je kunt de salak verder pellen.

Knapperig


In gepelde toestand heeft salak een crème-achtige kleur en is knapperig. De vrucht bestaat uit 1 tot 3 delen. Binnenin elk deel zit een grote, donkere pit.

In gepelde toestand heeft salak een crème-achtige kleur en is knapperig.

De schil van de salak heeft wel wat weg van een slangenhuid. De vrucht wordt daarom ook wel slangenvrucht genoemd.

Salak zit boordevol vezels en is daarom goed voor de stofwisseling en de stoelgang. Ook bevat de vrucht beta-caroteen wat goed is voor de ogen.